Start.Doel.Opbouw.Kwartierstaat.Overige families.Geschiedenis.Foto's.

Welkom op de website van Harm Offereins

Laatste bewerking van deze site op 11 maart 2017

Gegevens van deze site mogen worden overgenomen, bij voorkeur met een berichtje aan mij.

Die gegevens mogen niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt!

Data on this site may not be used for commercial purposes!


Heb je vragen of opmerkingen, stuur een bericht naar:  website@offerijn.nl  (adres kopiëren)

Offerein  -  Offereins  -  Offerijns  -  Offrein  -  Offreins  -  Ofrein

Uit: NIEUWE NEDERLANDSCHE JAERBOEKEN, July MDCCLXXIII  (Via Google)

Onderstaande tekst volgt op een beschouwing in bovenvermeld jaarboek over de zin en wijze van voltrekken van de doodstraf in het verleden.

Ik heb de tekst overgenomen en, t.b.v. de leesbaarheid, de ‘f’, waar van toepassing, vervangen door een ‘s’.

 

(803)   De verregaende onmenschelyke boosheid van eenen Berent Evertsen heeft aen het Hof van Gelderland toegescheenen met eene meer als gemeene doodstraf ten afgryze van anderen te moeten gestraft worden; waarom zy dien snoden booswigt op den 17 dezer Hooimaand veroordeeld hebben, om op de plaets van gewoone strafoeffeninge aen eenen pael half geworgd en verders geheel verbrand te worden, gelyk zulks teffens met zyne gepleegde euveldaden uit het volgende doodvonnis zelve is af te nemen, ’t welk op de Galgenberg buiten deze Stad den 24 dezer maend is ter uitvoer gelegd.

 

Gezien by den Hove des Furstendoms Gelre en Graafschap Zutphen d’informatien van ’s Heeren weegen genomen over Berent Eversen, oud, volgens syn seggen, tussen de 25 en 30 jaeren, dog, soo als uit desselfs Doopcedul gebleeken is, op den 15 November 1744 gedoopt, en geboortig  van Loenen op de Veluwe, Gevangen aen desen Hove; Mede gesien syne confessien en gehoort het rapport van den Heer Commissaris tot desselfs examen gecommitteerd; Waer uit gebleken

Dat hy Gevange bekent van jongs op groote geneegentheid gehad te hebben om sig ten nadeele van syn meedemensch, buyten desselfs kennisse te verryken.

Dat hy Gevange door verscheide, hoewel geringere dingen, van tyd tot tyd te steelen daar van preuves heeft gegeeven.

Dat hy Gevange tot grootere zynde overgegaan, bekent tot vier reisen tot sig aen ’t steelen van immen te hebben schuldig gemaakt, hoewel hy voorgeeft dit, sonder gewin daarvan te maken, te hebben gedaan, en selfs de honing te hebben opgegeeten

Dat hy Gevange voorts sig heeft begeeven tot ’t steelen van schaapen en ook wel tot ’t ombrengen van eenige om een ander alleen uit haat te  benaadeelen, waar van het getal        ongeveer beloopt, na syn opgeeven, seven en twintig stuks.

(804) Dat hy Gevange al meede van sig heeft kunnen verkrygen om niet alleen valschelyk voor te geeven, tot bedekking, soo hy segt, van syn gepleegt versuym om op de schapen, welke aan syne sorge als scheper, waren toevertrouwt, te passen en die in’t wild te hebben laten loopen, dat hy aan vier aan hem onbekende persoonen, hoewel den eenen sodaanig quam te beschryven, dat die op een persoon in de nabuurschap scheen te gelyken, en die egter ten enemaal onschuldig daar na is bevonden, op eene violente manier was geattaqueert en met afneeming van syn gelt en twee gouden knoopen uit syn hemd deerlyk was mishandelt geworden, hebbende, om sulks eenige schyn by te setten, sig selfs hier en daar aan syn ligchaam gequetst of ook wel met bloed van een schaap, ’t welk hy ader gelaten hadde, besmeert en bemorst.

Maer dat hy Gevange selfs tot die gruwelyke onbedagtsaamheid is vervallen om de waarheid van dit voorval en syne vercierde omstandigheden, op een tyd, dat niemand aan syne goede trouw twyfelde, willens en wetens met een solemneelen Eed tot driemaal toe te bevestigen, en door dit alles de Justitie voorbedagtelyk t’abusceren en vergeefsche moeite te laten doen en kosten aan te wenden, om, ware ’t mogelyk, de daders van soo een voorgegeevene gruwsaam feit, waar by de publicque securiteit der weegen en velden soo seer geinteresseert voorquam, t’ontdekken.

Dat, onaangesien alle deese ieder op sig selfs seer strafbaare feiten en euveldaden, ’t egter daar by niet is gebleeven, maar dat hy Gevange daar en boven is vervallen tot soo een uiterste van Godloosheid, dat hy door overtuiging van syn beswaert gemoed heeft moeten bekennen, dat hy vyfmaal brand heeft gestigt, en dus d’oorzaak is van de vyf naevolgende afgebrande schooten en huisen.

(805) 1  Als eerstelyk van den brand, welke op den 23 April 1772, des avonds omtrent elf uuren is voorgevallen op den Beerenkamp in den Ampte van Nykerk, waar door het Boerenhuis met syn agterhuis op deel, en daar in verscheidene beesten, soo paarden als koeyen, veersen, pinken en kalveren, beneevens een meenigte van meubelen en andere goederen, die daar in huis waren, zyn verbrand,

Dat ten dien opsigte uit syne confessien consteert,

 Dat hy Gevange door de begeerlykheid zynde vervoert om een stuk Weidegrond, ’t geen meende voor syne schapen, waar mede hy des tydes aldaar in de greese was, beeter te sullen weesen, als dat geene, ’t welk hy gehuurt hadd, te bekomen, en ’t selve van de boer, die dit stuk voor syne beesten om te hooyen nodig hadde, niet kunnende magtig worden, het verfoeyelyk dessein gesmeed hadde  om die beesten te doen verbranden, ten einde om door dat middel tot syn oogmerk te geraken,

Dat hy Gevange tot dat einde, na dat sig neevens die van ’t huisgesin te bed begeven, en gemerkt hadde dat die alle in slaap waren, stil is opgestaan en met het vuur, het welk met syn ketsgerie gemaakt hadde, het stroo van binne  op de hilde aangestoken en aangeblasen heeft en het selve met nog ander stroo, om ’t ter deegen te doen aangaan, bedekt heeft,

Dat hy Gevange dit verrigt hebbende, sig weder in stilte te bed heeft begeeven, met het oogmerk om af te wagten tot dat den brand regt aan den gang zoude weesen, en dan eerst de menschen te waerschouwen om sig te kunnen redden.

Doch dat hy Gevange hier in is verhinderd geworden door ’t schielyker aan en voortgaan van den brand, als hy sig verbeeld hadde, en ’t van selfs wakker worden van eenige van ’t huisgesin, welke aanstonds opgestaan synde den Gevange nog te bed hebben gevonden,

(806)  Dat hy Gevange daar door, soo wel als door ’t verbranden van een gedeelte van syn eigen goed, ’t welk de tyd hem niet toeliet om te kunnen bergen, buiten alle verdenking zynde gebleeven, deese zyner gruwsaame euveldaad voven dien nog op een snoode en geveinsde manier heeft soeken te bedekken door niet alleen uit een uiterlyke vertooning van meedelyden met den Boer en die van syn huisgesin te maeken en die seer te beklagen, maar ook door kort na dat die brand was voorgevallen aan den boer eenig geld op de pagt van de grees, mitsgaders eenig spek, booter en brood, als ’t ware om hem te troosten en eenig soulaas toe te voegen, te brengen.

 

2 Ten tweeden, dat hy Gevange meede de dader is van ’t in brand steeken van ’t schaapschot van Willem Janssen Bosch en syn Vrouw Jannetje Beerts in de buurschap Speulde onder den Ampte van Ermelo, ’t welk op den 20 Maart deeses jaars des avonds tusschen elf en twaalf uuren met alle de schaapen, ten getalle van hondert twee en twintig stuks, soo oud als jong, is afgebrand,

Dat hy Gevange ten deesen opsigte bekent, dat hy deesen brand  insgelyks met ’t vuur van syn pyp heeft gestigt, en dat door geen andere beweegreden tot ’t pleegen van deese swaare misdaad is gepermoveert geworden als om door ’t laten verbranden van de schaapen aan de scheper de gelegentheid te beneemen, om, soo als hy gewoon was, dagelyks met die schapen by de troup, welke door hem Gevange gehoed wierd, te weiden, en dan te kunnen sien dat de schapen van hem Gevange gellig waren, ’t welk hy Gevange, omdat de menschen hem nagaven dat hy daar toe door syne slegte oppassinge oorsaak hadde gegeeven, niet weeten wilde, en ’t welk vreesde dat daar door meer bekent zoude worden.

 

3 Ten derden, dat hy Gevange al meede schuldigis aan het in brand steeken van  het  schaapschot, behoorende  tot het Erve Losum, geleegen in de (807)  Buurschap Telgt onder den  Ambte van Ermelo, het welk op den 24 April deses jaars des nagts ongeveer ten twaalf uuren met alle de schaapen daar in, bestaande, soo jong als oud, te zamen in een en tagtig stuks, dewelke ten deelen aan Ryk Cuiper, woonende in Norden onder den Ampte van Putten, en ten deele aan de scheper Hendrik Peelen toebehoorende, dog des tydes by Aalt Lubbertse, woonende voor Meyer op het voorsz. Erve Lopsum, op de Mist waren, beneevens twee bergen kort daar by staande, waar in sig niet als eenige boonenstokken bevonden, geheel is afgebrand,

Dat hy Gevage deese brand volgens syne confessien, insgelyks heeft gestigt met het vuur van syn pyp, en dat hy dit alleen gedaan heeft om daar door gelegentheit t’ontfangen om het Land, ’t welk door die schapen beweid wierd, en ’t gene hy Gevange, omdat ’t soo goed was en voor hem soo wel geleegen lag, geern wilde hebben en door geen ander middel wist mogtig te worden, voor syn schapen te konnen huuren.

 

4 Ten vierden ,dat hy Gevange al verder den daader is van de brandstigterye, welke in den nacht tusschen den 2de en 3de  May deeses jaars tusschen twaalf en een uur in de Buurschap Appel is gepleegt, waar door het schaapschot, verkenschot en huis staande in de voorsz. Buurschap, doch onder de Ampte van Barnevelt en toebehoorende aan Derk Woutersen Buitenhuis met hondert negen en vyftig stuks schaapen, soo jong als oud, welke aldaar in de greese waren, dog aan Claas Derksen en Teunis Derksen te Houddorp en Speulde woonagtig toebehoorden, beneevens een paard, een mestkalf, een paar veerskalveren en een verken mitsgaders verscheide goederen verbrand en twee koeyen merkelyk beschadigt zyn geworden,

Dat hier omtrent ten deelen uit goede informatien en ten deelen uit syne confessien is gebleken, dat hy Gevange met oogmerk om dien brand te stigten sig derwaarts heeft begeeven

(808)  En omtrent twaalf uuren des nagts is gekomen by ’t huis van Aart Ryksen Hospes in de nieuwe Herberg tot Appel onder den Ampte van Nykerk, staande schuyns tegen over het huis van Derk Woutersen Buitenhuis voornoemt,

Dat dien Hospes voorneemens zynde om na bed te gaan, dog alvorens buiten de voordeur van syn huis gegaan zynde om syn water te maken, als doe aldaar heeft vinden staan den Gevange, onder voorwendsel dat na de weg na Barnevelt quam vragen, seer bedeest en confuis in huis is gegaann, en aldaar een soopje gedronken en syn pyp aangestoken heeft, dog voort daar op weder weg gegaan is, sonder dat dien Hospes als doe den Gevange heeft gekent, dog welke nogtans hem sodanig besien en daar na beschreven heeft gehad, dat dit d’eerste  aanleidinge tot ontdekkinge, dat hy Gevange den dader van die gepleegde brandstigterye was, heeft gegeven gehad,

Dat hy Gevange vervolgens, terwyl syn pyp was uitgegaan, door middel van syn ketsgery vuur gemaakt en daar mede het schaapschot aangestoken heeft en daar op is weggeloopen, voorgeevende, dat, toen hy van verre gesien hadde dat ’t aan ’t branden was, nog eenig berouw gekregen hebbende weder zoude zyn te rug gekeert, met intentie om ’t weder uit te maaken, dog dat den brand hem doe reeds meester zoude geweest zyn,

Dat aan d’eene syde een verrgaande quaadaardigheid en aan d’andere kant meede de begeerlykheid hem Gevange tot deese verfoeyelyke daad heeft doen vervallen,

Aangesien hy door d’eerste is vervoert geworden, om dat hy syn schapen, of wel die geene, waar over hy Herder was, gellig gehoed hebbende, daar over by een ieder en bysonder meede by voorsz. Derk Woutersen Buitenhuis bespot wierd, en daarom uit wraaksugt die schapen meede wilde doen omkoomen,

En hy Gevange daar toe te meer is aangeset geworden door de begeerlykheid om de Weide, welke  door  die  schapen gebruikt wierd, en (809) die hem veel beeter voorquam, als die, welke hy op die tyd hadde, op die wyse goedkoop te kunnen magtig worden, gelyk hy Gevange dan ook heeft verklaart, dat syn voorneemen alleen soude zyn geweest om het schaapschot in brand te steeken en de schapen te doen verbranden, en geensints meede ’t huis, ’t welk wegens desselfs nabyheid bu dat schot door de felle vlam tegens syne intentie zoude zyn aangegaan en verbrand.

 

5 En dat eyndelyk ten vyfden hy Gevange al meede den dader is van ’t in brand steeken van ’t schaapschot van Rykert Derksen en syn Vrouw Geertje Stoffels, woonende op ’t Erve de Peereboom in de Buurschap Telgt onder de Ampte van Ermelo, het welk op den 4 May deeses jaars des avonds ongeveer ten negen uuren met het varkenschot en  een Myt rysen kort by elkanderen staande is verbrand, dog waar van egter de schapen gered zyn geworden.

Dat hy Gevange ten opsigte van deese brand bekend, dat hy aldaar met syn schapen in de greese zynde en niet vergenoegt weesende met de weide, welke hy aldaar hadde, om dat die seer slegt was, voorneemens was om te sien te bekoomen de Weide van Derk Woutersen Buitenhuis, waar van hy het schaapschot des daags te vooren onder anderen met dat selfde oogmerk om de schapen te doen verbranden, hadde in brand gestooken,

Dat hy Gevange tot bereikinge van dit oogmerk de snoode toeleg ge formeert hadde om het schaapschot te doen verbranden, dog syn schaapen te redden, om dus eene bequame gelegentheid t’ontfangen, om met eenig fatsoen van daar te kunnen vertrekken, en syn voorneemen, om de weide van Derk Woutersen Buitenhuis te huuren, ter uytvoer te brengen,

Dat hy Gevange tot dat einde met goed overleg een stuk brandend lont in dat schot gelegt hadde, op dat het selve zoude moge in brand raken op een (810)  tyd en wyse, dat de luiden in  ’t huis nog op waren, en er dan geleegentheid zoude kunnen zyn om zyn schaapen nog te kunnen redden en dat niettemin het schot zoude werden verbrand.

Gelyk hy Gevange daar in ook soo wel heeft gereusseert, dat die luiden, wanneer sy met den Gevange aan de tafel saten te eeten, den brand door de glasen hebben ontdekt en aanstonds te zamen daar na toe gelopen syn, met dat gevolg, dat hy Gevange als doe d’eerste is geweest, welk de de pin van voor de deur van ’t schot heeft weggenomen en voorts de deur heeft helpen los maken, waer door de schapen alle zyn gered geworden, terwyl nogtans het schot geheel is verbrand.

 

Dat, hoe seer hy Gevange na een belydenis van soo veele sware en menigvuldige misdaden heeft verklaart syn gemoed volkomen ontlast en niets meer voor de Justitie verborgen gehouden te hebben en die verklaaringe heeft geaccompagneert gehad met betoning van leedweesen en berouw over syne Godloose levenswyse, welke hy voornamentlyk aan syn bedorve natuur komt toe te schryven, en van een overtuiging van des doods schuldig te weesen, hy Gevange nogtans door gelyke verseekeringen van berouw en overtuiging by het doen niet alleen van syne eerste maar ook selfs van syne tweede en nadere confessie, en ’t op die tyden egter nog verswygen en ontkennen van meerdere swaare euveldaden, welke hy daar na heeft moeten bekennen, regtveerdige reeden heeft gegeven om aan de sinceriteit van syn berouw eenigsints te moeten twyffelen.

Dat uit alle deesen derhalve komt te blyken, dat hy Gevange is een voorwerp van d’uiterste Godloosheid, die sig aan een complicatie van allerhande, de gemeene samenleeving stoorende en de rust en securiteit der besittingen van de goede Ingeseetenen in gevaar stellende allergruwelykste misdaden en delicten heeft schuldig gemaakt, welke in een Land, daar de Justitie vigeert, anderen ten exempel en afschrik ten ten rigoureusten behooren te worden gestraft.

(811)  Het voorsz. Hof alles overwoogen, verklaart den voorn. Gevange Berent Evertsen syn leeven door al ’t geen voorsz. te plegen verwerkt te hebben en vervallen te syn in de poene van regten daartoe staande, denselven oversulks condemnerende om gebragt te worden op de plaats van executie daartoe bequaam en aldaar aan een paal half geworgt en verder geheel verbrand te worden.

Gedaan en gearresteert enz.

 

05. Doodstraf voor Berent Everts, voltrokken op

24 juli 1773 op de Galgenberg te Arnhem.

 

De Spakenburgse vissersfamilie De Jong (= voorgeslacht van onze schoon-dochter) komt oorspronkelijk uit de buurt van Putten. Voorvader Dirck Dirckse en en zijn vrouw Hendrickje Rijkerts hadden (ten minste) twee zonen, Rijkert Dirksen, gehuwd met Geertje Stoffels en zijn jongere broer Gerrit Dirks, gehuwd met Pietertje Jans. Van het laatste stel stamt het elders op deze site beschreven geslacht De Jong af.

Uit onderstaand verslag blijkt (onder 5) dat schaapherder Berent Evertsen op 4 mei 1773 de schaapskooi van Rijkert en Geertje in brand heeft gestoken. Kennelijk was met deze daad de maat vol.

terug naar geschiedenis.